Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
de apotheek is gesloten, sorry voor het ongemak
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 12,19 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 7,24 (6% inclusief btw)
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt
Alle waarschuwingen en voorzorgsmaatregelen voor gebruik ten aanzien van de aparte bestanddelen zijn van toepassing op Bipressil. Hypotensie: ACE-remmers kunnen een bloeddrukdaling teweegbrengen. Symptomatische hypotensie komt zelden voor bij patiënten met ongecompliceerde hypertensie en komt eerder voor bij patiënten met volumedepletie bijvoorbeeld ten gevolge van behandeling met diuretica, een zoutarme voeding, dialyse, diarree of braken, of bij patiënten met een ernstige renine-afhankelijke hypertensie (zie rubrieken 4.5 en 4.8). Bij patiënten met symptomatisch hartfalen, met of zonder geassocieerde nierinsufficiëntie werd symptomatische hypotensie waargenomen. Dit zal het meest waarschijnlijk optreden bij patiënten met een ernstigere graad van hartfalen, wat blijkt uit het gebruik van hoge doses lisdiuretica, hyponatriëmie of functionele verminderde nierfunctie. Bij patiënten met een verhoogd risico op symptomatische hypotensie, moet het opstarten van de behandeling en de dosisaanpassing zorgvuldig worden gecontroleerd. Deze voorzorgsmaatregelen gelden ook voor patiënten met ischemische hart- of cerebrovasculaire ziekte bij wie een overmatige bloeddrukdaling aanleiding zou kunnen geven tot een myocardinfarct of een cerebrovasculair accident (CVA). Indien hypotensie optreedt, dient de patiënt op de rug te worden gelegd en indien nodig moet een intraveneus infuus van een natriumchloride-oplossing 9 mg/ml (0,9%) worden aangelegd. Een voorbijgaande hypotensieve respons is geen contra-indicatie voor verdere doses, die gewoonlijk zonder enig probleem kunnen worden toegediend wanneer de bloeddruk gestegen is na volume-expansie. Bij sommige patiënten met congestief hartfalen die een normale of lage bloeddruk hebben, kan er een bijkomende verlaging van de systemische bloeddruk optreden met perindopril. Dit effect is verwacht en is gewoonlijk geen reden om de behandeling stop te zetten. Als de hypotensie symptomatisch wordt, kan een dosisverlaging of een geleidelijke stopzetting van de behandeling, gebruikmakend van de afzonderlijke bestanddelen, nodig zijn. Overgevoeligheid/Angio-oedeem: In zeldzame gevallen werd angio-oedeem van het gezicht, de ledematen, lippen, slijmvliezen, tong, glottis en/of larynx gemeld bij patiënten die met ACE-remmers, waaronder perindopril, behandeld werden (zie rubriek 4.8). Dit kan op elk moment tijdens de behandeling optreden. In deze gevallen moet de behandeling met Bipressil onmiddellijk worden stopgezet. Therapie met bètablokker moet worden voortgezet. Er moet passende controle worden ingesteld en doorgevoerd tot alle symptomen zijn verdwenen. In die gevallen waarbij de zwelling tot het gezicht en de lippen beperkt bleef, verdween deze doorgaans zonder behandeling, hoewel antihistamines bij het verzachten van de symptomen nuttig zijn gebleken. Angio-oedeem in combinatie met larynxoedeem kan dodelijk zijn. In de gevallen waarbij de tong, glottis of larynx betrokken zijn, wat tot obstructie van de luchtwegen kan leiden, moet onmiddellijk een noodbehandeling worden gestart. Deze behandeling kan bestaan uit het toedienen van epinefrine en/of het actief openhouden van de luchtwegen. De patiënt moet voortdurend medisch begeleid worden totdat de symptomen volledig en blijvend zijn verdwenen. Patiënten met een voorgeschiedenis van angio-oedeem die niet werd veroorzaakt door behandeling met een ACE-remmer, lopen meer risico op een angio-oedeem tijdens het ontvangen van een ACE-remmer (zie rubriek 4.3). Intestinaal angio-oedeem werd zelden gemeld bij patiënten die behandeld werden met ACE-remmers. Deze patiënten hadden pijn in de buik (met of zonder misselijkheid of braken); in bepaalde gevallen was er geen voorafgaand faciaal angio-oedeem en waren de C-1-esteraseniveaus normaal. Het angio-oedeem werd gediagnosticeerd door middel van een CT-scan of ultrasoon onderzoek van de buik, of tijdens een chirurgische ingreep; de symptomen verdwenen nadat de behandeling met ACE-remmer werd stopgezet. Intestinaal angio-oedeem moet worden opgenomen in de differentiële diagnose van patiënten met buikpijn die ACE-remmers gebruiken. De combinatie van perindopril met sacubitril/valsartan is gecontra-indiceerd wegens het verhoogde risico van angio-oedeem (zie rubriek 4.3). Behandeling met sacubitril/valsartan mag niet eerder dan 36 uur na het innemen van de laatste dosis perindopril worden ingesteld. Als de behandeling met sacubitril/valsartan wordt stopgezet, mag er niet eerder dan 36 uur na de laatste dosis sacubitril/valsartan met de behandeling met perindopril worden gestart (zie rubrieken 4.3 en 4.5). Gelijktijdig gebruik van ACE-remmers met NEP-remmers (bijv. racecadotril), mTOR-remmers (bijv. sirolimus, everolimus, temsirolimus) en gliptinen (bijv. linagliptine, saxagliptine, sitagliptine, vildagliptine) kan leiden tot een verhoogd risico op angio-oedeem (bijv. zwelling van de luchtwegen of tong, met of zonder ademhalingsstoornis) (zie rubriek 4.5). Voorzorg is geboden bij het instellen van racecadotril, mTOR-remmers (bijv. sirolimus, everolimus, temsirolimus) en gliptinen (bijv. linagliptine, saxagliptine, sitagliptine, vildagliptine) bij een patiënt die al een ACE-remmer gebruikt. Leverfalen: In zeldzame gevallen zijn ACE-remmers geassocieerd met een syndroom dat begint met cholestatische icterus en overgaat in fulminante levernecrose, en (soms) de dood tot gevolg heeft. Het mechanisme achter dit syndroom is niet bekend. Met ACE-remmers behandelde patiënten die geelzucht ontwikkelen of bij wie een duidelijke stijging van leverenzymen wordt geconstateerd dienen te stoppen met de ACE-remmer en een adequate medische controle te ondergaan (zie rubriek 4.8). Ras: ACE-remmers veroorzaken vaker angio-oedeem bij negroïde patiënten dan bij niet-negroïde patiënten. Net als andere ACE-remmers is perindopril mogelijk minder effectief voor verlaging van de bloeddruk bij het negroïde ras dan bij het niet-negroïde ras, mogelijk door een hogere prevalentie van lage renineconcentraties in de zwarte hypertensieve populatie. Hoest: Bij gebruik van ACE-remmers is hoest gerapporteerd. Het gaat om een niet-productieve en hardnekkige hoest, die ophoudt na het stopzetten van de behandeling. Door ACE-remmers veroorzaakte hoest moet beschouwd worden als onderdeel van de differentiële diagnose van hoest. Hyperkaliëmie: Bij sommige patiënten die met ACE-remmers, inclusief perindopril, werden behandeld, zijn stijgingen van de serumkaliumspiegel waargenomen; ACE-remmers kunnen hyperkaliëmie veroorzaken omdat ze de afgifte van aldosteron remmen. Het effect is doorgaans niet significant bij patiënten met een normale nierfunctie. Patiënten die risico lopen op het ontwikkelen van hyperkaliëmie zijn patiënten met nierinsufficiëntie, verslechtering van de nierfunctie, een hoge leeftijd (> 70 jaar), diabetes mellitus, bijkomende gebeurtenissen, in het bijzonder dehydratie, acuut hartdecompensatie, metabole acidose, of patiënten die tegelijkertijd kaliumsparende diuretica (bijv. spironolacton, eplerenon, triamtereen of amiloride), kaliumsupplementen of kaliumbevattende zoutvervangers gebruiken, of patiënten die andere geneesmiddelen gebruiken die geassocieerd worden met stijgingen van de serumkaliumspiegel (bijv. heparine, cotrimoxazol, ook bekend als trimethoprim/sulfamethoxazol) en met name aldosteron-antagonisten of angiotensinereceptorblokkers. Het gebruik van kaliumsupplementen, kaliumsparende diuretica of kaliumhoudende zoutvervangers kunnen vooral bij patiënten met een verminderde nierfunctie leiden tot een aanzienlijk verhoogde serumkaliumspiegel. Hyperkaliëmie kan ernstige, soms fatale aritmie veroorzaken. Kaliumsparende diuretica en angiotensinereceptorblokkers dienen voorzichtig gebruikt te worden bij patiënten die ACE-remmers gebruiken, en de serumkaliumspiegel en nierfunctie dienen gecontroleerd te worden. Als gelijktijdig gebruik van bovenvermelde middelen geïndiceerd is, dienen ze voorzichtig gebruikt te worden en moet de serumkaliumspiegel regelmatig gecontroleerd worden (zie rubriek 4.5). In combinatie met lithium: Het gelijktijdig gebruik van lithium en perindopril wordt in het algemeen niet aanbevolen (zie rubriek 4.5). Combinatie met kaliumsparende geneesmiddelen, kaliumsupplementen of kaliumbevattende zoutvervangers: De combinatie van perindopril en kaliumsparende geneesmiddelen, kaliumsupplementen of kaliumbevattende zoutvervangers wordt in het algemeen niet aanbevolen (zie rubriek 4.5). Dubbele blokkade van het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS): Er is bewijs dat bij gelijktijdig gebruik van ACE-remmers, angiotensine-II-receptorantagonisten of aliskiren het risico op hypotensie, hyperkaliëmie en een verminderde nierfunctie (inclusief acuut nierfalen) toeneemt. Dubbele blokkade van RAAS door het gecombineerde gebruik van ACE-remmers, angiotensine-II-receptorantagonisten of aliskiren wordt daarom niet aanbevolen (zie rubrieken 4.5 en 5.1). Als behandeling met dubbele blokkade absoluut noodzakelijk wordt geacht, mag dit alleen onder supervisie van een specialist plaatsvinden en moeten de nierfunctie, elektrolyten en bloeddruk regelmatig worden gecontroleerd. ACE-remmers en angiotensine-II-receptorantagonisten dienen niet gelijktijdig te worden ingenomen door patiënten met diabetische nefropathie. Combinatie met calciumantagonisten, klasse I antiaritmica en centraal werkende antihypertensiva: Combinatie van bisoprolol met calciumantagonisten van het type verapamil of diltiazem, met klasse I antiaritmica en met centraal werkende antihypertensiva wordt in het algemeen niet aanbevolen (zie rubriek 4.5). Stoppen van de behandeling: Abrupt stopzetten van de therapie met een bètablokker dient te worden vermeden, met name bij patiënten met ischemische hartziekte, omdat dit kan leiden tot transitionele verslechtering van de harttoestand. De dosering dient geleidelijk te worden verlaagd, gebruikmakend van de afzonderlijke bestanddelen, in het ideale geval in een periode van twee weken, terwijl tegelijkertijd de vervangingstherapie, indien noodzakelijk, wordt gestart. Bradycardie: Indien de hartfrequentie bij rust tijdens de behandeling lager dan 50-55 slagen per minuut wordt en de patiënt symptomen gerelateerd aan bradycardie ervaart, dient Bipressil te worden neergetitreerd, gebruikmakend van de afzonderlijke bestanddelen met een geschikte dosis bisoprolol. Eerstegraads AV-blok: Gezien hun negatieve dromotrope effect dienen bètablokkers met voorzorg te worden toegediend aan patiënten met eerstegraads AV-blok. Aorta- en mitralisstenose / hypertrofische cardiomyopathie: Evenals andere ACE-remmers dient ook perindopril met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met mitralisstenose en obstructie in de uitstroom van het linker ventrikel zoals aortastenose of hypertrofische cardiomyopathie. Prinzmetal angina pectoris: Er zijn gevallen van coronaire vasospasmen waargenomen. Ondanks de hoge bèta-1-selectiviteit kunnen aanvallen van angina-pectoris niet volledig worden uitgesloten wanneer bisoprolol wordt toegediend aan patiënten met Prinzmetal angina pectoris. Verminderde nierfunctie: In geval van verminderde nierfunctie dient de dagelijkse dosis Bipressil te worden aangepast naargelang van de creatinineklaring (zie rubriek 4.2). Gebruikelijke controle van kalium en creatinine maakt bij deze patiënten deel uit van de normale medische praktijk (zie rubriek 4.8). Bij patiënten met symptomatisch hartfalen kan de hypotensie na het opstarten van de behandeling met ACE-remmers leiden tot verdere verstoring van de nierfunctie. Acute nierfalen, gewoonlijk reversibel, werd in deze situatie gerapporteerd. Bij sommige patiënten met bilaterale arteria renalis stenose of stenose van de arterie naar één enkele functionerende nier, die werden behandeld met ACE-remmers, werd verhoging van bloedureum en serumcreatinine waargenomen, wat doorgaans omkeerbaar was na het stopzetten van de behandeling. Dit is vooral te verwachten bij patiënten met nierinsufficiëntie. Indien er ook sprake is van renovasculaire hypertensie geldt een verhoogd risico op ernstige hypotensie en nierinsufficiëntie. Bij deze patiënten dient de behandeling onder nauwgezet medisch toezicht te worden gestart met lage doses en zorgvuldige dosistitratie. Aangezien de behandeling met diuretica een bijdragende factor aan het bovenstaande kan zijn, dient hiermee te worden gestopt en dient de nierfunctie te worden gecontroleerd tijdens de eerste weken van de behandeling. Sommige hypertensiepatiënten zonder klaarblijkelijke voorgeschiedenis van renovasculaire ziekte ontwikkelden verhoogde bloedureum- en serumcreatininewaarden, doorgaans in lichte mate en van tijdelijke aard, voornamelijk wanneer perindopril samen met een diureticum werd toegediend. Het is waarschijnlijker dat dit optreedt bij patiënten met een voorgeschiedenis van verminderde nierfunctie. Het verlagen van de dosis en/of onderbreken van de behandeling met een diureticum en/of perindopril kan noodzakelijk zijn. Renovasculaire hypertensie: Er is een verhoogd risico van hypotensie en renale insufficiëntie wanneer patiënten met bilaterale arteria renalis stenose of stenose van de arterie naar één enkele functionerende nier worden behandeld met ACE-remmers (zie rubriek 4.3). Behandeling met diuretica kan een bijdragende factor zijn. Er kan verlies van de nierfunctie optreden met slechts kleine veranderingen in het serumcreatinine, zelfs bij patiënten met unilaterale arteria renalis stenose. Niertransplantatie: Er is geen ervaring met de toediening van perindopril-arginine bij patiënten met een recente niertransplantatie. Hemodialysepatiënten: Anafylactoïde reacties werden gerapporteerd bij patiënten die gedialyseerd werden met high-fluxmembranen en die gelijktijdig behandeld werden met een ACE-remmer. Bij deze patiënten dient het gebruik van een ander type dialysemembraan of een andere klasse antihypertensiva te worden overwogen. Anafylactoïde reacties tijdens LDL- (lage-dichtheid-lipoproteïne) aferese: Bij patiënten die ACE-remmers kregen tijdens LDL-aferese met dextraansulfaat werden zelden levensbedreigende anafylactoïde reacties gemeld. Deze reacties werden vermeden door de behandeling met ACE-remmers vóór elke aferese tijdelijk te onderbreken. Anafylactoïde reacties tijdens desensitisatie: Bij patiënten die ACE-remmende medicijnen toegediend kregen tijdens een desensitisatiebehandeling (bijv. hymenopteragif) werden anafylactoïde reacties gemeld. Bij diezelfde patiënten werden deze reacties vermeden wanneer de behandeling met ACE-remmers tijdelijk werd onderbroken, maar ze deden zich opnieuw voor na onachtzame hervatting van de medicatie. Zoals ook met andere bètablokkers het geval is, kan bisoprolol zowel de gevoeligheid voor allergenen als de ernst van anafylactoïde reacties doen toenemen. Behandeling met adrenaline levert niet altijd het verwachte therapeutische effect op. Neutropenie/Agranulocytose/Trombocytopenie/Anemie: Neutropenie/agranulocytose, trombocytopenie en anemie zijn gemeld bij patiënten die met ACE-remmers behandeld werden. Bij patiënten met een normale nierfunctie en zonder andere complicerende factoren treedt neutropenie zelden op. Perindopril dient met grote voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met collageen vaatlijden, bij een behandeling met immunosuppressiva, behandeling met allopurinol of procaïnamide, of een combinatie van deze complicerende factoren, vooral wanneer er een voorgeschiedenis van verminderde nierfunctie is. Enkele van deze patiënten kregen ernstige infecties, die in bepaalde gevallen niet konden worden genezen met intensieve antibioticatherapie. Als perindopril bij dergelijke patiënten wordt gebruikt, wordt aangeraden om de witte bloedcellen regelmatig te tellen. De patiënten worden ook verzocht om alle tekenen van ontsteking (bijv. keelpijn, koorts) te melden. Bronchospasme (bronchiale astma, obstructieve luchtwegziekten): Bij bronchiale astma of andere chronische obstructieve longziekten die symptomen kunnen veroorzaken, dient bronchodilatatietherapie gelijktijdig te worden gegeven. Incidenteel kan een toename van de luchtwegweerstand optreden wanneer bètablokkers worden gebruikt bij patiënten met astma en daarom moet de dosis bèta-2-stimulantia mogelijk worden verhoogd. Patiënten met diabetes: Voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van Bipressil bij patiënten met diabetes mellitus die grote schommelingen in de bloedglucosewaarden vertonen. Symptomen van hypoglykemie kunnen door bètablokkers worden gemaskeerd. Streng vasten: Voorzichtigheid is geboden bij patiënten die streng vasten. Perifere arteriële occlusieve ziekte: De symptomen kunnen verergeren bij het gebruik van bètablokkers, met name bij het starten van de therapie. Anesthesie: Bij patiënten die onder algehele narcose gaan, vermindert bètablokkade de incidentie van aritmieën en myocardiale ischemie tijdens de inductie en intubatie en de postoperatieve fase. Op dit moment wordt aanbevolen de bètablokkade tijdens de operatie voort te laten duren. De anesthesist moet zich bewust zijn van de bètablokkade gezien de mogelijke interactie met andere geneesmiddelen, resulterend in brady-aritmieën, afzwakking van de reflextachycardie en verminderd reflexvermogen om bloedverlies te compenseren. Als het noodzakelijk geacht wordt om te stoppen met het gebruik van bètablokkers voorafgaand aan de operatie, moet dit geleidelijk gedaan worden en dient dit circa 48 uur voor de narcose voltooid te zijn. Bij patiënten die een grote operatie ondergaan of bij anesthesie met middelen die hypotensie veroorzaken, kan perindopril de vorming van angiotensine-II blokkeren als gevolg van compenserende renine-afgifte. De behandeling moet één dag voor de operatie worden stopgezet. Eventueel optredende hypotensie die wordt toegeschreven aan dit mechanisme, kan door volume-expansie worden gecorrigeerd. Psoriasis: Bij patiënten met psoriasis of met psoriasis in de anamnese dienen bètablokkers alleen te worden voorgeschreven na een zorgvuldige afweging van de voordelen tegen de risico's. Feochromocytoom: Bij patiënten met bekend of vermoed feochromocytoom dient bisoprolol altijd in combinatie met een alfa-receptorblokker te worden gegeven. Thyrotoxicose: Door behandeling met bisoprolol kunnen de symptomen van thyrotoxicose worden gemaskeerd. Primair aldosteronisme: Patiënten met primair hyperaldosteronisme zullen in het algemeen niet reageren op antihypertensiva die werken door remming van het renine-angiotensinesysteem. Daarom wordt het gebruik van dit product niet aanbevolen. Zwangerschap: Tenzij het voortzetten van ACE-remmertherapie als essentieel wordt beschouwd, dienen patiënten die zwanger willen worden te worden overgeschakeld op alternatieve antihypertensiva met een erkend veiligheidsprofiel voor gebruik tijdens de zwangerschap. Wanneer zwangerschap wordt vastgesteld, dient de behandeling met ACE-remmers onmiddellijk te worden gestopt en dient, indien van toepassing, een alternatieve therapie te worden gestart (zie rubrieken 4.3 en 4.6). Hartfalen: Er is geen therapeutische ervaring met de behandeling met bisoprolol van hartfalen bij patiënten met de volgende ziekten en aandoeningen: • insulineafhankelijke diabetes mellitus (type 1), • ernstige verminderde nierfunctie, • ernstige afgenomen leverfunctie, • restrictieve cardiomyopathie, • aangeboren hartziekte, • hemodynamische significante organische hartklepziekte, • myocardinfarct binnen de afgelopen 3 maanden. Hulpstoffen: Natriumgehalte Bipressil bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per tablet en is dus in wezen 'natriumvrij'.
Als vervangingstherapie voor de behandeling van:
bij volwassen patiënten die adequaat onder controle zijn met bisoprolol en perindopril die tegelijkertijd worden toegediend in dezelfde doses als in het combinatiepreparaat.
Welke stoffen zitten er in dit medicijn?
De werkzame stoffen in dit medicijn zijn bisoprololfumaraat en perindopril arginine. Elke Bipressil tablet bevat 10 mg bisoprololfumaraat overeenkomend met 8,49 mg bisoprolol en 10 mg perindopril arginine overeenkomend met 6,790 mg perindopril.
De andere stoffen in dit medicijn zijn : microkristallijne cellulose PH 102 (E460), calciumcarbonaat (E170), gepregelatineerd maiszetmeel, natriumzetmeelglycolaat type A (E468), watervrij colloïdaal siliciumdioxide (E551), magnesiumstearaat (E572), natriumcroscarmellose (E468), glycerol (E422), hypromellose (E464), macrogol 6000, titaandioxide (E171), geel ijzeroxide geel (E172), rood ijzeroxide (E172) en gezuiverd water.
Neemt u nog andere medicijnen in?
Gebruikt u naast Bipressil nog andere medicijnen, heeft u dat kort geleden gedaan of gaat u dat misschien binnenkort doen? Vertel dat dan uw arts of apotheker.
Sommige medicijnen kunnen de werkzaamheid van Bipressil beïnvloeden of zelf worden beïnvloed door Bipressil. Deze vorm van interactie kan één van beide of beide medicijnen minder effectief maken.
Daarnaast kan interactie leiden tot een verhoogd risico op bijwerkingen of op ernstigere bijwerkingen.
Vertel het uw arts als u één van de volgende medicijnen gebruikt:
medicijnen die de bloeddruk onder controle houden of medicijnen voor hartaandoeningen (zoals amiodaron, amlodipine, clonidine, digitalisglycosiden, diltiazem, disopyramide, felodipine, flecaïnide, lidocaïne, methyldopa, moxonidine, procaïnamide, propafenon, kinidine, rilmenidine, verapamil), andere medicijnen voor de behandeling van hoge bloeddruk, waaronder angiotensine II-receptorblokkers (ARB's), aliskiren (zie ook informatie onder de rubrieken "Wanneer mag u dit medicijn niet gebruiken?" en "Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit medicijn?") of diuretica ('plaspillen', medicijnen die de hoeveelheid urine verhogen die door de nieren wordt gemaakt), kaliumsparende medicijnen (zoals triamtereen, amiloride), kaliumsupplementen of kaliumbevattende zoutvervangers, andere medicijnen die het kaliumgehalte in uw lichaam kunnen verhogen (zoals heparine, een medicijn voor het verdunnen van het bloed om stolsels te voorkomen, trimethoprim en cotrimoxazol, ook bekend als trimethoprim/sulfamethoxazol, voor infecties veroorzaakt door bacteriën), kaliumsparende medicijnen gebruikt voor de behandeling van hartfalen: eplerenon en spironolacton in doses van 12,5 mg tot 50 mg per dag, sympathomimetica gebruikt voor de behandeling van klinische schock (adrenaline, noradrenaline, dobutamine, isoprenaline, efedrine), estramustine (gebruikt voor de behandeling van kanker), medicijnen die het vaakst worden gebruikt voor de behandeling van diarree (racecadotril) of voor het voorkomen van afstoting van getransplanteerde organen (sirolimus, everolimus, temsirolimus en andere medicijnen in de klasse van zogeheten mTor-remmers). Zie de rubriek "Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit medicijn?", sacubitril/valsartan (voor de behandeling van langdurig hartfalen). Zie de rubrieken 'Wanneer mag u dit medicijn niet innemen?' en 'Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit medicijn?' lithium gebruikt voor de behandeling van manie of depressie, bepaalde medicijnen gebruikt voor de behandeling van depressie, zoals imipramine, amitriptyline, remmers van monoamine oxidase (MAO) (behalve MAO-B-remmers), bepaalde medicijnen gebruikt voor de behandeling van schizofrenie (antipsychotica), bepaalde medicijnen gebruikt voor de behandeling van epilepsie (fenytoïne, barbituraten zoals fenobarbital), narcosemiddelen gebruikt bij operaties, vasodilatatoren, waaronder nitraten (bloedvatverwijdende medicijnen), trimethoprim gebruikt voor de behandeling van infecties, immunosuppressiva (medicijnen die het afweersysteem van het lichaam verzwakken) zoals ciclosporine, tacrolimus, gebruikt voor de behandeling van auto-immuunziekten of na een transplantie, allopurinol voor de behandeling van jicht, parasympathomimetica gebruikt voor de behandeling van aandoeningen zoals de ziekte van Alzheimer of glaucoom, topische bètablokkers gebruikt voor de behandeling van glaucoom (verhoogde druk in het oog), mefloquine gebruikt voor de preventie of behandeling van malaria, baclofen gebruikt voor de behandeling van spierstijfheid bij ziekten zoals multiple sclerose, goudzouten, in het bijzonder als het intraveneus wordt toegediend (voor de behandeling van symptomen van reumatoïde artritis), medicijnen gebruikt voor de behandeling van diabetes zoals insuline, metformine, linagliptine, saxagliptine, sitagliptine, vildagliptine, niet-steroïde anti-inflammatoire medicijnen (NSAID's) zoals ibuprofen of diclofenac of hoge doses acetylsalicylzuur voor de behandeling van artritis, hoofdpijn, pijn of ontsteking.
4.8 Bijwerkingen Samenvatting van het veiligheidsprofiel: De meest voorkomende bijwerkingen van bisoprolol zijn hoofdpijn, duizeligheid, verergering van hartfalen, hypotensie, koude extremiteiten, misselijkheid, braken, buikpijn, diarree, constipatie, asthenie en vermoeidheid. De meest in klinische onderzoeken gemelde en bij perindopril waargenomen bijwerkingen zijn hoofdpijn, duizeligheid, vertigo, paresthesie, zichtstoornissen, tinnitus, hypotensie, hoesten, dyspneu, misselijkheid, braken, buikpijn, diarree, constipatie, dysgeusie, dyspepsie, huiduitslag, pruritus, spierkrampen en asthenie. Overzicht van bijwerkingen: De ongewenste bijwerkingen zijn waargenomen tijdens klinische onderzoeken en/of postmarketinggebruik van afzonderlijk toegediend bisoprolol of perindopril, gerangschikt volgens de MedDRA-indeling naar lichaamssysteem en met de volgende frequentie: Zeer vaak ( 1/10); vaak ( 1/100 tot < 1/10); soms ( 1/1 000 tot < 1/100); zelden ( 1/10 000 tot < 1/1 000); zeer zelden (< 1/10 000); niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
MedDRA Systeem/ orgaanklasse Bijwerkingen Frequentie Bisoprolol Perindopril Infecties en parasitaire aandoeningen Rhinitis Zelden Zeer zelden Bloed- en lymfestelsel-aandoeningen Eosinofilie - Soms* Agranulocytose (zie rubriek 4.4) - Zeer zelden Pancytopenie - Zeer zelden Leukopenie - Zeer zelden Neutropenie (zie rubriek 4.4) - Zeer zelden Trombocytopenie (zie rubriek 4.4) - Zeer zelden Hemolytische anemie bij patiënten met een congenitale deficiëntie van G-6PDH - Zeer zelden Endocriene aandoeningen Syndroom van inadequate secretie van antidiuretisch hormoon (SIADH) - Zelden Voedings- en stofwisselingsstoornissen Hypoglykemie (zie rubrieken 4.4 en 4.5) - Soms* Hyperkaliëmie, reversibel na stopzetting - Soms* Hyponatriëmie - Soms* Psychische stoornissen Stemmingswisselingen - Soms Slaapstoornissen Soms Soms Depressie Soms Soms* Nachtmerries, hallucinaties Zelden - Verwardheid - Zeer zelden Zenuwstelsel- aandoeningen Hoofdpijn** Vaak Vaak Duizeligheid** Vaak Vaak Vertigo - Vaak Dysgeusie - Vaak Paresthesie - Vaak Slaperigheid - Soms* Syncope Zelden Soms* Oogaandoeningen Vermindering van het zicht - Vaak Verminderd traanvocht (patiënten die lenzen dragen, dienen hiermee rekening te houden) Zelden - Conjunctivitis Zeer zelden - Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen Tinnitus - Vaak Gehooraandoeningen Zelden - Hartaandoeningen Palpitaties - Soms* Tachycardie - Soms* Bradycardie Zeer vaak - Verergering van hartfalen Vaak - Atrioventriculaire geleidingsstoornissen Soms - Aritmie - Zeer zelden Angina pectoris - Zeer zelden Myocardinfarct, mogelijk secundair aan excessieve hypotensie bij patiënten met een verhoogd risico (zie rubriek 4.4) - Zeer zelden Bloedvat-aandoeningen Hypotensie en effecten verband houdend met hypotensie Vaak Vaak Koud gevoel of gevoelloosheid in de extremiteiten Vaak - Orthostatische hypotensie Soms - Vasculitis - Soms* Overmatig blozen - Zelden* Cerebrovasculair accident (CVA), mogelijk secundair aan excessieve hypotensie bij patiënten met een verhoogd risico (zie rubriek 4.4) - Zeer zelden Raynaud-fenomeen - Niet bekend Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinum aandoeningen Hoest - Vaak Dyspneu - Vaak Bronchospasme Soms Soms Eosinofiele pneumonie - Zeer zelden Maagdarmstelsel-aandoeningen Buikpijn Vaak Vaak Constipatie Vaak Vaak Diarrree Vaak Vaak Misselijkheid Vaak Vaak Braken Vaak Vaak Dyspepsie - Vaak Droge mond - Soms Pancreatitis - Zeer zelden Lever- en galaandoeningen Cytolytische of cholestatische hepatitis (zie rubriek 4.4) Zelden Zeer zelden Huid- en onderhuid-aandoeningen Rash - Vaak Pruritus - Vaak Angio-oedeem van gezicht, extremiteiten, lippen, slijmvliezen, tong, glottis en/of larynx (zie rubriek 4.4) - Soms Urticaria - Soms Fotosensibiliteitreacties - Soms* Pemfigoïd - Soms* Hyperhidrose - Soms Overgevoeligheidsreacties (zoals pruritus, roodheid, uitslag en angio-oedeem) Zelden - Verergering van psoriasis - Zelden* Erythema multiforme - Zeer zelden Alopecia Zeer zelden - Bètablokkers kunnen psoriasis uitlokken of verergeren of een psoriasis-achtige uitslag veroorzaken Zeer zelden - Skeletspierstelsel- en bindweefsel-aandoeningen Spierkrampen Soms Vaak Spierzwakte Soms - Artralgie - Soms* Myalgie - Soms* Nier- en urinewegaandoeningen Nierinsufficiëntie - Soms Acuut nierfalen - Zelden Anurie/oligurie Zelden* Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen Erectiele disfunctie Zelden Soms Algemene aandoeningen en toedieningsplaats-stoornissen Asthenie Vaak Vaak Vermoeidheid Vaak - Borstpijn - Soms* Malaise - Soms* Perifeer oedeem - Soms* Pyrexie - Soms* Onderzoeken Verhoogde bloedureumconcentratie - Soms* Verhoogde bloedcreatininewaarden - Soms* Verhoogde leverenzymconcentratie Zelden Zelden Verhoogde bloedbilirubineconcentratie - Zelden Verhoogde triglyceriden Zelden - Verlaagd hemoglobine en verlaagd hematocriet (zie rubriek 4.4) - Zeer zelden Letsels, intoxicaties en verrichtings-complicaties Vallen - Soms*
Melding van vermoedelijke bijwerkingen: Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico's van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via: België Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten www.fagg.be Afdeling Vigilantie Website: www.eenbijwerkingmelden.be E-mail: adr@fagg-afmps.be
Wanneer mag u dit medicijn niet gebruiken?
• U bent allergisch voor bisoprolol of andere bètablokkers, voor perindopril of een andere ACE-remmer, of voor één van de andere ingrediënten in dit medicijn. Deze stoffen kunt u vinden in rubriek 6.
• U heeft hartfalen dat plotseling erger wordt en/of waarvoor u in het ziekenhuis behandeld moet worden.
• U heeft een cardiogene shock (een ernstige hartaandoening veroorzaakt door een zeer lage bloeddruk).
• U heeft een hartziekte die zich kenmerkt door een langzame of onregelmatige hartslag (tweede- of derdegraads atrioventriculair blok, sinoatriaal blok, sick sinus-syndroom).
• U heeft een langzame hartslag.
• U heeft een heel lage bloeddruk.
• U heeft ernstige astma of ernstige chronische longaandoeningen.
• U heeft ernstige bloedcirculatiestoornissen in uw ledematen (zoals het syndroom van Raynaud), dat tot gevolg kan hebben dat uw vingers en tenen gaan tintelen of bleek of blauw worden.
• U heeft een niet behandeld feochromocytoom, een zeldzaam gezwel in de bijnier (medulla).
• U heeft metabole acidose, een aandoening waarbij er te veel zuur in uw bloed zit.
• U heeft na een eerdere behandeling met een ACE-remmer symptomen gehad zoals piepend ademhalen, zwelling van het gezicht, de tong of de keel, intense jeuk of ernstige huiduitslag, of u heeft een familielid die deze symptomen in andere omstandigheden heeft gehad (een stoornis die angio-oedeem wordt genoemd).
• U bent langer dan 3 maanden zwanger (het is ook beter om tijdens de vroege zwangerschap Bipressil te vermijden - zie rubriek "Zwangerschap").
• U heeft diabetes of een nierfunctiestoornis en u wordt behandeld met een bloeddrukverlagend medicijn dat aliskiren bevat.
• U ondergaat dialyse of een ander type bloedfiltratie. Afhankelijk van de machine die wordt gebruikt, is Bipressil mogelijk niet geschikt voor u.
• U heeft nierziekte waarbij de bloedtoevoer naar uw nieren verminderd is (nierslagaderstenose).
• U heeft sacubitril/valsartan gebruikt of u gebruikt momenteel sacubitril/valsartan, een medicijn voor hartfalen, omdat het risico op angio-oedeem (snelle zwelling onder de huid in een gebied als de keel) verhoogd is (zie de rubrieken 'Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit medicijn?' en 'Neemt u nog andere medicijnen in?').
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding Zwangerschap: Op basis van bestaande gegevens over de afzonderlijke bestanddelen wordt het gebruik van Bipressil niet aanbevolen in het eerste trimester van de zwangerschap en is het gecontra-indiceerd in het tweede en derde trimester van de zwangerschap. Bisoprolol Bisoprolol heeft farmacologische effecten die schadelijke gevolgen kunnen hebben op de zwangerschap en/of de foetus/pasgeborene (verminderde doorbloeding van de placenta geassocieerd met groeiachterstand, intra-uteriene dood, abortus of voortijdige bevalling en bijwerkingen (bijvoorbeeld hypoglykemie en bradycardie) kunnen optreden bij de foetus en de pasgeborene). Indien behandeling met β-adrenoreceptorblokkers noodzakelijk is, dan hebben β1-selectieve adrenoreceptorblokkers de voorkeur. Bisoprolol mag niet tijdens de zwangerschap worden gebruikt, behalve als het duidelijk noodzakelijk is. Als behandeling met bisoprolol noodzakelijk geacht wordt, dienen de uteroplacentaire doorbloeding en de groei van de foetus gecontroleerd te worden. Als er schadelijke gevolgen voor de zwangerschap of de foetus optreden, moet een alternatieve behandeling overwogen worden. De pasgeborene moet nauwkeurig gevolgd worden. Over het algemeen zijn symptomen van hypoglykemie en bradycardie binnen de eerste 3 dagen te verwachten. Perindopril Epidemiologisch bewijs aangaande het risico van teratogeniteit volgend op blootstelling aan ACE-remmers gedurende het eerste trimester van de zwangerschap is niet overtuigend; een klein verhoogd risico kan echter niet worden uitgesloten. Tenzij doorlopende ACE-remmertherapie als essentieel wordt beschouwd, moeten patiënten die zwanger willen worden overstappen op een alternatieve antihypertensie behandeling met een veiligheidsprofiel voor het gebruik bij zwangerschap. Als zwangerschap is gediagnosticeerd, moet de behandeling met ACE-remmers onmiddellijk gestaakt worden en indien nodig moet met een andere behandeling gestart worden. Blootstelling aan een ACE-remmer tijdens het tweede en derde trimester veroorzaakt foetotoxiciteit bij de mens (verminderde nierfunctie, oligohydramnie, vertraging van de verbening van de schedel) en neonatale toxiciteit (nierfalen, hypotensie, hyperkaliëmie) (zie rubriek 5.3). In geval van blootstelling aan ACE�remmers vanaf het tweede trimester van de zwangerschap wordt aanbevolen de nierfunctie en de schedel te controleren door middel van een echografie. Zuigelingen wier moeders ACE-remmers hebben genomen moeten nauwkeurig onderzocht worden op hypotensie (zie rubrieken 4.3 en 4.4). Borstvoeding: Het gebruik van Bipressil wordt niet aanbevolen tijdens de borstvoeding. Het is niet bekend of bisoprolol in moedermelk wordt uitgescheiden. Het is dan ook niet aan te raden borstvoeding te geven tijdens het gebruik van bisoprolol. Omdat er geen informatie beschikbaar is over het gebruik van perindopril tijdens het geven van borstvoeding, wordt perindopril niet aanbevolen en verdienen alternatieve behandelingen met een bekend veiligheidsprofiel voor gebruik tijdens borstvoeding de voorkeur, met name wanneer het gaat om het voeden van pasgeboren of prematuur geboren zuigelingen. Vruchtbaarheid: Er zijn geen klinische gegevens ten aanzien van de vruchtbaarheid en het gebruik van Bipressil.
Volwassenen
Dit geneesmiddel is niet geschikt voor patiënten met een verminderde nierfunctie. Bij deze patiënten wordt een individuele dosistitratie met de mono-componenten aanbevolen.
Toedieningswijze
| CNK | 3414117 |
|---|---|
| Organisaties | Servier Benelux |
| Merken | Servier Benelux |
| Breedte | 73 mm |
| Lengte | 107 mm |
| Diepte | 45 mm |
| Hoeveelheid verpakking | 90 |
| Actieve ingrediënten | bisoprolol fumaraat, perindopril arginine |
| Behoud | Kamertemperatuur (15°C - 25°C) |